Architectuur

Glossarium & Symboliek

Steekboog
Steekboog
ook segmentboog of toog genaamd beschrijft meestal een cirkel. Het trekpunt van de boog ligt onder de lijn die de geboorten met elkaar verbindt. De segmentboog oefent een sterke zijwaartse druk uit en wordt om die reden alleen voor kleine overspanningen gebruikt, zoals raam- of deuropeningen.

Steekboog
Rondboog
ook halfcirkelboog of volboog genaamd beschrijft meestal een halve cirkel. De rondboog is heel geschikt om een zware last te dragen. In het klein is dit type dan ook veel te vinden als ontlasting boven deuren en ramen. Diverse vormen komen voor, naar gelang de architectonische stijl of het toegepaste materiaal.

Negblokken
Negblok
Een negblok is een iets grotere steen te midden van kleinere in de omlijsting van het kozijn. Deze steen zorgt voor een groter verbindingsoppervlak waardoor de omlijsting van een venster steviger verbonden is met de omringende muur. Vaak worden negblokken op regelmatige afstanden van elkaar geplaatst.

Zadeldak
Zadeldak
Een zadeldak bestaat uit twee tegen elkaar geplaatste hellende dakschilden die elkaar in de nok snijden. Dit type dak is, vanwege zijn eenvoud, het meest voorkomende type dak in België. Wanneer de dakschilden, op een en hetzelfde gebouw, van ongelijke lengte zijn, spreken we van een mank of asymmetrisch zadeldak. Een zadeldak, met dakpannen gedekt, wordt traditioneel opgebouwd uit onder andere:
  • spanten met gordingen
  • het dakbeschot
  • de pannenlatten op tengels voor de dakpannen

Wolvedak
Wolvedak (of wolfsdak)
Een wolfsdak of wolvedak is een zadeldak, met twee afgeschuinde vlakken aan de korte zijden. Deze afgeschuinde vlakken worden ook wel wolfseinden of wolfeinden genoemd. De helling van deze uiteinden is vaak steiler dan die van de aangrenzende grote dakvlakken. Het werkwoord afwolven wat afschuinen van het einde van een zadeldak is, ligt hier aan ten grondslag.

Travee
Een travee (afgeleid van het Franse woord travée, en oorspronkelijk van het Latijnse trabis, balk) of gewelfjuk is onder andere een deel van een gebouw, dat wordt bepaald door twee opvolgende steunpunten in de lengterichting van het gebouw.
Een travee is ook een begrip in de vlakverdeling van een gevel. De travee is dan de afstand waarbij de gevel zich in de lengterichting begint te herhalen. Dit komt min of meer overeen met de breedtes van deuren en vensters. De termen travee en vensteras worden soms verward. Een vensteras is de denkbeeldige as door een venster. Bij een regelmatig opgebouwde gevel wordt de breedte vaak opgegeven in vensterassen, omdat dit meteen een duidelijk beeld oproept. Meestal is het aantal vensterassen gelijk aan het aantal traveeën.
In een gevel kan men dikwijls de traveeën herkennen door de ankers in de muren.

Gording
lange balk, georiënteerd volgens de lengterichting van een dakkap, die dient als steun voor de sporen of kepers. Gordingen zijn gekanteld volgens de dakhelling; twee zijden van de gording zijn dus evenwijdig aan het dakvlak. Omwille van de gekantelde positie is een gording doorgaans ingelaten in de onderliggende kapdelen.

Fliering
balk in de lengterichting van een dakkap die dient als steun voor de sporen of kepers.
Flieringen bevinden zich tussen de kapvoet en de nok en worden doorgaans gedragen door schaargebinten. Flieringen liggen vlak op de schaargebinten, in tegenstelling tot gordingen die gekanteld, volgens de helling van het dak, liggen.

Moerbalk
balk waarin kortere balkstukken zijn opgelegd of ingelaten. Komt bijvoorbeeld voor als een balk die, als deel van een balklaag, een binnenruimte overspant en waarin kleinere kinderbalken zijn ingelaten.

Raveelbalk
balk die aan weerszijden van een kap, volgens de lengterichting van het gebouw, tussen twee opeenvolgende trekbalken is aangebracht en die als steun fungeert voor de standzonen van de gespannen. De tot blokkelen ingekorte trekbalken van de gespannen worden eveneens in de raveelbalk opgevangen.

Korbeel
rechte of gekromde schoor tussen een horizontaal en een verticaal of schuinstaand onderdeel van een houtconstructie. Korbelen bevinden zich bijvoorbeeld tussen sporen en hanenbalken of tussen de spantbenen en dekbalken van schaargebinten.

Kinderbalken
balken die op de uitgekapte moerbalk liggen en waarop de plankenvloer wordt geplaatst.

Schaargebinte
samenstelling (gebint) van twee dragende stijlen of spantbenen, die recht of krom (kromstijlen) kunnen zijn, en waarop een overspannende dekbalk rust. Schaargebinten dienen als dragers voor flieringen en gordingen

Trekbalk
Dwarse balk waarop het schaargebinte staat

Dekbalk
verzamelnaam voor langsverbindingen op verschillende plaatsen in een dakkap. De nokgording is een overlangse balk in de nok van een kap.

Symboliek

Onderstaande tekens, graveringen, enz werden opgemerkt tijdens de restauraties van delen van het pachthof.

Gravering gevonden in negblok toegemetste raamopening
markering witte steen
Deze markering in de vorm van een asterisk werd opgemerkt tijdens het verwijderen van tegels en plaasterwerk in de keukenmuur tussen de hoofdschuur en vroegere stal (huisnr 27). In 1919 was dit nog een buitenmuur. De steen bevindt zich in een toegemetstelde vensteropening met witstenen negblokken.

symbool baksteen buitenmuur
markering baksteen
Deze markering werd opgemerkt in één van de buitenmuren van de vroegere paardenstallen (tuin huisnr 27). Geen idee wat dit kan betekenen (Volkswagen ?).

Muuranker met gravering in poortgebouw
markering muurankers
Deze markering werd opgemerkt op de muurankers van het poortgebouw. Vanaf ongeveer 1600 werd het mogelijk in het halfafgekoelde ijzer met een beitel strepen of kerven te hakken, de zogenaamde smidstekens. In de meeste gevallen gaat het om maalkruisen (ook Andrieskruisen genoemd) met één of twee strepen erboven en/of eronder.

Maten en gewichten

Zie pagina "Maten en gewichten" onder menu-item "In de marge".


© 1997-2019 - Hof van Ruisbeek
webdesign : Erik Heymans